Iedere straat heeft zijn eigen folklore.
Bij ons is dat geen spookkat, geen mysterieuze deurklopper of buurtbewoner die ’s nachts met een badjas over straat gaat. Nee, bij ons aan de Jamaicastraat hebben we iets beters: het stel dat altijd nét om het hoekje verschijnt.
Het fenomeen is inmiddels zo ingeburgerd dat het een naam heeft gekregen. Niet door ons bedacht — de natuur heeft het ons gegeven. Eén woord, twee lettergrepen, eeuwige toepassingskracht:
Koekoek.
Niet als diagnose, laten we dat juridisch scherp hebben. Maar als beschrijving van een gedragspatroon waarbij iemand onverwacht — maar toch curieus voorspelbaar — opduikt op precies het verkeerde moment.
Zoals die vogel in de klok: je wéét dat ’ie komt, maar toch schrik je elke keer.
Het begon allemaal heel onschuldig. Een schutting die, zoals schuttingen wel eens doen, de strijd met de zwaartekracht verloor. Wij dachten: vervelend, maar oplosbaar.
Zij dachten: prachtig, een kans voor infrastructurele vernieuwing op schaalniveau Vinex-droom-aan-zee.
Waar een ander een plank vervangt, zagen zij mogelijkheden:
Een wand.
Een wand met dak.
Een wand met dak die — koekoek — altijd al in de planning zat, ook al stond dat nergens.
Een onverwachte evolutie, alsof iemand een hamster koopt en drie weken later beweert dat hij altijd al een pony had gewild.
En dan dat moment, dat iconische moment waar de bijnaam geboren werd.
Je kent het wel: je loopt nietsvermoedend de tuin in, denkt dat de dag rustig verloopt, en ineens zie je twee hoofden die nét te ver uit de deuropening hangen.
Twee paar ogen, hyperalert, alsof de tuin van nummer 29 live verslag doet van een staatsbezoek.
Ze kijken niet.
Nee, ze scannen.
Koekoek.
Daar staat tegenover dat wanneer er gewerkt moet worden, er ineens van alles “niet kan”, “onveilig voelt” of “juridisch complex” blijkt. In de opname van de befaamde 23e februari hoor je gewoon iemand schroeven, timmeren en rustig de discussie aangaan.
Geen spoortje angst, geen zweem van paniek.
Maar wel: koekoek, we voelen ons bedreigd.
Het contrast was zo scherp dat je het bijna moest bewonderen.
Het talent om twee werkelijkheden naast elkaar te laten bestaan, zonder dat ze elkaar lijken te hinderen.
En ja, toen kwamen de brieven.
En de procedures.
En nóg meer procedures.
Alsof het stel naast ons een seizoenskaart heeft voor het juridisch systeem, inclusief backstagepas en meet & greet met de deurwaarder.
Op een dag stonden er zomaar vijf beslagen op voertuigen.
Vijf.
Ik herhaal het even omdat het ook bij herhaling absurd blijft: vijf.
Waar andere buren elkaar een bosje bloemen brengen na een misverstand, brengen zij een beslaglegging.
Koekoek, uw motor.
Maar een wonder gebeurde: het hof keek, luisterde, las — en zag het verschil tussen feit en fantasie.
De schuttingwerkzaamheden waren gewoon uitgevoerd.
De wand met dak bestond niet in de afspraken.
De titel voor het beslag? Niet geldig.
Het hele kaartenhuis blies om bij de eerste serieuze juridische ademtocht.
Een tikje ironisch: wie voortdurend uit het hoekje kijkt om vermeende overtredingen te spotten, bleek uiteindelijk zelf iets te enthousiast met het recht om te springen.
Koekoek.
En toch…
Er zit iets tragikomisch in.
Iets dat bijna aandoenlijk wordt als je het lang genoeg van een afstand bekijkt.
Het is geen kwaadwillendheid, geen snode strategie — het is gewoon wie ze zijn.
Ze zien overal beweging, overal dreiging, overal aanleiding om het hoofd om het hoekje te steken.
Een vogeltje dat elk uur naar buiten springt, omdat dat nu eenmaal de functie is.
En wij?
Wij wonen gewoon op nummer 29.
We hebben geen koekoek in de klok.
Maar wel in de straat.
En eerlijk is eerlijk: soms is het vermoeiend, soms frustrerend, maar heel soms — op een zonnige dag met een kop koffie in de hand — is het bijna vermakelijk.
Je kijkt naar buiten, denkt dat het stil is, en dan ineens zie je iets bewegen achter het kozijn van het naastgelegen perceel.
Je glimlacht.
Je weet genoeg.
Koekoek.